Gaat “Het Nieuwe Werken” aan de OECD voorbij?
In Juni 2010 verscheen een interessant rapport van de OECD over de economische situatie in Nederland:
Er staan meerdere interessante stellingen, uitspraken en richtingen in dat rapport. Eén van de dingen die mij opviel was de informatie over mobiliteit in Nederland.
The average commuting time in the Netherlands is longer than in other European countries and commuters also spend more time in congestion.
Men stelt dat Nederlanders een langere woon-werk reistijd hebben dan inwoners van andere Europese landen. En óók nog meer tijd doorbrengen in files. De bron van deze data is een onderzoek uit 2005 (!):
In dat “Working Conditions Survey” rapport staat bijvoorbeeld ook een diagram van het Europees gemiddelde in woon-werk verkeer reistijd. Er lijkt een licht verschil te zijn in reistijden (in munten per dag) bij werknemers naar aantal uren werken per week. Bij minder uren per week, ook minder reistijd, een omslagmoment is er blijkbaar wanneer men meer dan 48uur per week werkt. Ik kan me voorstellen dat die groep bijvoorbeeld ondernemers betreft met een eigen (thuis)vestiging.
Interessant om eens na te denken over de oorsprong van het verschil in “unpaid working hours” waar het rapport op pagina 26 een overzicht van geeft. Nederland scoort daarin relatief erg hoog…
De verklaring van de auteurs is leerzaam, en eigenlijk ook zorgwekkend:
Even if somewhat expected, these results are quite striking. While male part-time workers dedicate even less time to unpaid work than male full-time workers (7.2 hours), women working part time appear to use the time saved to carry out unpaid work (volume of hours only taken into consideration, notwithstanding the voluntary character of part-time work, its impact on salary and career development, etc). On average, the unpaid work–paid work ratio is 150% for female part-time workers whereas it stands at 33% for male part-time workers.
Maar weer even terug naar het OECD rapport. Een grafiek toont daar het grote verschil in woon-werk verkeer:
De gemiddelde Nederlander zou dus ongeveer 50 minuten per dag besteden aan reistijd.
En voor een dichtbevolkt land hebben we relatief weinig korte reistijden. Maar zoals OECD zelf ook aangeeft zijn met name de files daar de oorzaak van.
In mijn geval, heb ik een enkele reis woon-kantoor verkeer van ongeveer 200km. Maar mijn won-werk verkeer is gemiddeld 0km. In de auto doe ik mijn voicemails en telefoongesprekken. In de trein mijn emails, en documenten. De OECD licht de mogelijkheden van “het nieuwe werken” eigenlijk niet toe in haar raport. Allee de klassieke “oplossingen” worden Nederland aangedragen:
In the long-term, infrastructure expansion could ease congestion problems. However, strict zoning and planning regulation make it difficult to find land and lengthy to obtain planning permission. Thus, to facilitate the expansion of the infrastructure, strict zoning and planning regulation should be eased. In the short-to-medium term, a more promising reform avenue is to improve the efficiency of infrastructure. Recognising this, a pioneering road pricing scheme covering (nearly) all vehicles and roads in the country has been presented to parliament. Under the scheme, users will pay for each kilometer driven plus potentially a surcharge in bottleneck areas. The government should pursue the implementation of the innovative and forward-looking road pricing system as it is a powerful instrument to reduce congestion and to pursue environmental objectives.
Er is wel een paragraaf met een interessant kopje:
Commuters should have more alternatives
Misschien is mijn interpretatie van de tekst die daarop volgt te beperkt, maar ik zie er weinig uitdaging en echt alternatief in:
In order to secure the maximum benefits from the road pricing scheme, it is important that commuters can adjust their travel. This can be achieved through the promotion of alternative working patterns and a more efficient provision and use of public transport. Currently, public transport is considered to be working at full capacity during rush hours. Hence, the supply of such services should be better aligned with changes in demand. This can be achieved by opening up more for competition and giving private providers of public transport greater possibilities to open new (bus) routes. To ensure that commuters take informed decisions, prices in public transportation should reflect the cost of provision and subsidies should be transparent and clearly defined, notably to reflect the positive externalities of having public transport.
Beide rapporten zijn wat mij betreft interessante “food for thought”. Een basis gedachte is in ieder geval, dat beleidsmakers hopelijk verder en breder nadenken over het nut en de achtergronden van deze statistieken in het licht van de mogelijkheden van Digitale Mobiliteit. In ieder geval zou een nieuw Europees Working Conditions Survey bij de vraagstellingen al rekening moeten houden met de mogelijkheden van Digitale Mobiliteit naast de Fysieke Mobiliteit…
Ik ga de nieuwe puppy even uitlaten, boodschappen doen en weer verder werken. :-)